Ziekte van Dupuytren

Het erfelijk aspect

Voordracht door Professor-Dokter K. DEVRIENDT van de K.U. Leuven.

Op zaterdag, 2 oktober 1999, om 09h30, ging er in de vergaderzaal gelegen in de gebouwen van het departement Sociale Wetenschappen, E. Van Evenstraat 2C te 3000 Leuven een voordracht door over de menselijke erfelijkheid. Professor-Dokter K. DEVRIENDT van de K.U. Leuven was onze gastspreker. Hij had zich speciaal voor deze lezing vrijgemaakt. De voordracht werd opgesplitst in twee delen: enerzijds de menselijke erfelijkheidsleer en anderzijds de toepassing hiervan bij de ziekte van Dupuytren.

VerschillendAan de hand van eens reeks dia's sprak Professor-Dokter K. DEVRIENDT over de basiskennis van het erfelijk materiaal. Alle mensen zijn verschillend en elke mens is opgebouwd uit cellen. Iedere cel heeft een kern en deze kern bevat chromosomen (46 in aantal). De chromosomen komen voor in paren. De 22 eerste noemt men de lichaamsbepalende chromosomen. Het 23e paar zijn de geslachtschromosomen; XX voor de vrouw en XY voor de man. Het geslacht wordt dus bepaald door het Y chromosoom van de man. In het laboratorium kunnen de chromosomen zichtbaar gemaakt worden, meestal vertrekkend van witte bloedcellen. Afwijkingen in aantal of vorm van de chromosomen zijn een veel voorkomende oorzaak van aangeboren afwijkingen, meestal gepaard met verstandelijke handicap. Het syndroom van Down (mongolisme) is de meest voorkomende aandoening, en wordt veroorzaakt door een extra chromosoom 21. In de meeste gevallen betreft het hier een nieuwe genetische fout, en is dit dan ook niet erfelijk.

Chromosomen zijn samengesteld uit DNA, dat onder de vorm van chromosomen opeengepakt zit. Een bepaald gedeelte van het DNA dat erfelijke informatie bevat voor één welbepaald erfelijk kenmerk noemen we een gen. Men schat dat er tussen de 50.000 en 100.0000 genenparen verspreid zijn over de 46 chromosomen. Via de chromosomen worden alle eigenschappen van de ene generatie op de andere generatie overgedragen. Niet alleen de normale eigenschappen van een mens, maar soms ook fouten, die aanleiding kunnen geven tot een erfelijke aandoening.

Geslacht

Erfelijke aandoeningen kunnen onderverdeeld worden afhankelijk van hun overervingspatroon.

  1. Dominant erfelijke aandoeningen

    zijn het gevolg van een fout in één gen van een genenpaar. Het foute gen gaat het gezonde gen als het ware overheersen. De kans op het ontstaan van nieuwe dergelijke fouten neemt toe met de ouderdom van de vader. Wanneer één van de ouders drager is van deze aandoening, dan is het risico om een dominant erfelijke aandoening over te erven 50% bij elke nieuwe zwangerschap. In vele gevallen is de uiting van de aandoening zeer wisselend (variabele expressie) en soms zelfs afwezig bij personen die er drager van zijn (verminderde penetrantie). Bekende aandoeningen die niet geslachtsgebonden, dominant worden overgeërfd zijn o.a. achondroplasie of dwerggroei, de ziekte van Huntington, de spierziekte van Steinert, neurofibromatose, de ziekte van Marfan en polycystische nierziekte.

    Dominant erfelijke aandoeningen

  2. Recessief erfelijke aandoeningen

    worden overgedragen als zowel de vader als de moeder dit afwijkende gen bezitten, zonder dat ze zelf ziek hoeven te zijn. Pas als beide chromosomen het afwijkend gen dragen, komt de aandoening tot uiting. Hier spreekt men van recessieve aandoeningen en het risico ze door te geven aan kinderen bedraagt 25%. Er zullen gemiddeld genomen 25% gezonde kinderen zijn en 50% zullen drager zijn van de ziekte. De meest frequente autosomaal recessieve aandoening bij onze bevolking is mucoviscidose (taaislijmziekte) Ook een groot aantal stofwisselingsziekten worden op deze manier overgeërfd.

    Recessief erfelijke aandoeningen

  3. Geslachtsgebonden aandoeningen

    treffen vooral jongens, maar worden overgedragen door meisjes. Het foute gen ligt op het X-chromosoom en daarom spreekt men van een Xgebonden of geslachtsgebonden afwijking. Het risico van een dergelijke afwijking is voor elke zoon van een moeder-draagster 50%. Het risico voor elke dochter dat zij ook draagster is, is 50%. De vader kan de ziekte niet overdragen op zijn zonen, wel op al zijn dochters. Die zullen niet ziek zijn, maar de kans dat ze de ziekte overdragen op hun zonen bedraagt 50%. Voorbeelden van X-gebonden aandoeningen zijn hemofilie of bloedstollingsziekte, de spierziekte van Duchenne, kleurenblindheid en X-gebonden mentale achterstand

    Geslachtsgebonden aandoeningen

  4. Polygenische aandoeningen

    worden veroorzaakt door een combinatie van meerdere genen. Een hele reeks functies en kenmerken worden bij de mens geregeld door meerdere genen, elk met zijn eigen specifieke bijdrage. De werking van deze genen wordt door de omgeving beïnvloed. Men spreekt daarom van multifactoriële overerving (door verschillende omstandigheden of factoren bepaald). Klassieke voorbeelden van normale multifactoriële kenmerken zijn de lichaamsgestalte en de intelligentie. Multifactoriële afwijkingen zijn o.a. spina bifida (open ruggetje), lip- en verhemeltespleet, klompvoeten en aangeboren hartafwijkingen.

Wanneer we de erfelijkheid van de ziekte van Dupuytren onderzoeken vertrekken we van de opmerkelijke vaststelling dat er een duidelijke geografische variatie is. In Noord-Europa komt de aandoening veelvuldig voor, maar naarmate men in de richting van Zuid-Europa gaat vermindert de frekwentie van de aandoening. Het voorkomen van de ziekte in Afrika en Azië is uiterst zeldzaam. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn ofwel een bepaalde omgevingsfactor die de aandoening veroorzaakt en die enkel in Noord-Europa voorkomt, of anderzijds, bepaalde genetische factoren die enkel bij deze bevolkingen aanwezig zijn. Argumenten voor dit laatste komen van andere populatiestudies. Landen zoals Australië de VS en Canada kenden in de voorbije eeuwen een massale migratie uit Noord-Europa. De ziekte van Dupuytren komt in deze contreien dan ook frekwenter voor. De Noord-Europese inwijkelingen liggen aan de basis hiervan. Dit blijkt ook uit de vaststelling dat personen in Zuid-Frankrijk die voor Dupuytren behandeld worden frekwenter blauwe ogen hebben (70%), en dit in vergelijking met slechts 40 % blauwe ogen bij personen die andere aandoeningen hebben. Blauwe ogen is een typische erfelijk kenmerk van de meer noordelijke "Keltische" populatie.

Genetische factoren spelen dus een belangrijke rol, en dit werd ook aangetoond door familiestudies, uitgevoerd door Ling in Edinburgh, Schotland (1963). Bij eenvoudige navraag bij patiënten met de ziekte van Dupuytren bleek dat ongeveer 16% nog een familielid had met de aandoening. Wanneer hij echter deze families zelf ging onderzoeken bleek dat in bijna 68% van de gevallen de aandoening in de familie voorkwam. Het risico van de aandoening was afhankelijk van de leeftijd en van het geslacht: mannelijke eerstegraads verwanten ouder dan 60 jaar hadden 53% kans op de aandoening, vrouwelijke verwanten ouder dan 60 jaar hadden 33% kans op de aandoening. Ook dit suggereert zeer sterk een erfelijke factor. Nochtans kan erfelijkheid niet alles verklaren. Eeneiige tweelingen hebben volledig identieke chromosomen, en voor een aandoening die 100% door erfelijke factoren bepaald wordt verwachten we dat als één van de twee de aandoening heeft, de andere deze ook steeds zal vertonen. Welnu, bij de ziekte van Dupuytren geldt dit niet steeds zo: er zijn verschillende eeneiige tweelingen gekend waarbij slechts één van de twee de aandoening heeft, en de ander niet. Dit suggereert dat een erfelijke factor wel degelijk een rol speelt, maar dat er andere factoren zijn die een rol spelen in het tot stand komen.

De overerving wijst meest waarschijnlijk op een autosomaal dominante aandoening, maar met beperkte penetrantie en variabele expressie (alhoewel een multifactoriële aandoening eveneens mogelijk is).
Voor sporadische gevallen (waar in de familie niemand anders is met de aandoening) kan een recessieve aandoening niet echt uitgesloten worden. Een X-gebonden overerving zou het frekwenter voorkomen bij mannen kunnen verklaren, maar dit is weinig waarschijnlijk, aangezien de aandoening kan overgeërfd worden van vader op zoon.

Tot op heden zijn de genen die een rol spelen bij de ziekte van Dupuytren niet gekend. Enkele omgevingsfactoren zijn reeds gekend: studies hebben gewezen op het belang van roken, mogelijk ook alcoholgebruik en van trauma bij het ontstaan van de ziekte van Dupuytren.

We mogen verwachten dat binnen een aantal jaren meer duidelijkheid komt betreffende de lokalisatie van het gen voor Dupuytren, met uiteindelijk het isoleren van genetische factoren die een rol spelen in het ontstaan van de aandoening. Het belangrijkste gevolg zal waarschijnlijk zijn dat men een beter inzicht krijgt in het ontstaan van de aandoening, en, op lange termijn, met een betere remedie tot gevolg.

Professor-Dokter K. DEVRIENDT Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg Centrum voor Menselijke Erfelijkheid Herestraat 49 3000 Leuven 016/34.59.03


Deze website is louter informatief en bestemd voor onze leden en medisch geïnteresseerden. Zij mag niet gebruikt worden, vermenigvuldigd worden of opgeslagen in enige vorm of op enige wijze ! Het rechtstreeks overnemen van artikels en die op het internet plaatsen, ook wel "Phishing" genoemd, is ten strengste verboden! Bedankt voor uw begrip en respect.

Vereniging voor de ziekte van Dupuytren, Peyronie & Ledderhose
© 2012-2016
webdesign: highgate´57